In de Rubriek Het Laatste woord van Het Parool verscheen op vrijdag 8 februari j.l. een artikel van de hand van Gerard Mulder onder de titel ‘Chinees heeft ons niets te bieden’ waarin hij reageert op het voorstel van D66 om vroeg vreemdetalen- onderwijs in Amsterdam te stimuleren. Ik heb de heer Mulder niet zelf gesproken of via email contact met hem gehad. Zijn artikel is, neem ik aan, gebaseerd op bericht- geving in de social media naar aanleiding van een artikel in de Metro, waarin ik onjuist geciteerd word als het gaat om het streefgetal van dertig basisscholen waar Chinees zou moeten worden gegeven.

In het initiatiefvoorstel voor vroeg vreemdetalenonderwijs spreekt D66 de ambitie uit dat er meer vreemdetalenonderwijs vanaf groep drie in de stad wordt aan- geboden. Amsterdam heeft namelijk een beperkt aanbod. Andere, grote en minder grote steden hebben een veel ruimer aanbod. We verwachten overigens dat het voornamelijk een aanbod aan Engelstalig onderwijs wordt maar we doen geen uitspraken of het nu Engels, Duits, Spaans of welke taal dan ook moet zijn. Als er dertig scholen zijn die het zien zitten om Mandarijn te geven, dan is dat prima. Wij doen slechts het voorstel om een proef te doen op een school met Mandarijn.

Een collega van de heer Mulder, die wel contact met mij heeft opgenomen, heeft op vrijdag 1 februari een artikel voor Het Parool geschreven waarin deze proef met Mandarijn wordt toegelicht. In Amsterdam zijn er veel kinderen met ouders die een andere moedertaal dan het Nederlands hebben. Dat levert problemen op zoals achterstanden in het Nederlands. Tegelijkertijd hebben die kinderen dus ook een voorsprong als het om de moedertaal van hun ouders gaat. Naast deze groep is er ook een groep kinderen waarvan de ouders vragen om een ruimer onderwijs- aanbod gericht op leerlingen die bovengemiddeld presteren. In Den Haag is er een gymnasium dat hier op inspeelt door de Chinese taal in curriculum op te nemen. Wij pleiten voor een proef op een basisschool waar kinderen met een voorsprong in de Chinese taal samen optrekken met kinderen die een extra uitdaging nodig hebben.

De constatering van de heer Mulder dat steeds meer Nederlanders in Duitsland hun vakantie vieren, kan ik plaatsen. Mijn ouders hebben zelf niet meer gehad dan basisschoolonderwijs en zo’n 40 jaar geleden gingen ze voor het eerst naar het buitenland op vakantie. Naar Duitsland om precies te zijn. Ongetwijfeld had de keuze voor dat land te maken met het feit dat mijn ouders zich op hun manier, zonder enige grammaticale kennis, verstaanbaar konden maken in het Duits. Later werden Italië, Frankrijk en Spanje de vakantiebestemmingen. Waarbij wij als kinderen met ons brugklas Frans en Engels vooruitgeschoven werden om het woord te voeren op de camping en in de supermarkt. Mijn ouders, inmiddels op hoge leeftijd, gaan steeds minder op vakantie en de laatste keren was het Duitsland vanwege de geringe reisafstand. Daar staat tegenover dat mijn ouders hun (klein)kinderen via Facebook volgen, en op die manier is hun wereld weer een stuk groter geworden.

De vraag is of Duitsland in de toekomst diezelfde grote afzetmarkt voor Nederland is zoals in de tijd dat mijn ouders werkten. Mijn vader was werkzaam in de vleesverwerkende industrie. Koeien en varkens kwamen van boeren uit de omgeving, en werden direct na de slacht via vrachtwagens afgeleverd elders in Europa. Inmiddels is de vleesverwerkende industrie niet meer in handen van familiebedrijven maar wordt zij gedomineerd door conglomeraten die koeien laten grazen op Argentijns grondgebied om het vlees vervolgens naar Nederland te exporteren. Geografische afstanden doen er steeds minder toe. De nieuwe logistieke processen gaan de verbeelding van mijn vader in ieder geval te boven.

Ik hou me beroepsmatig bezig met de digitale economie, waarin ontwikkelingen als 3D-printing aan een opmars bezig zijn. Wat dat gaat betekenen voor logistieke processen gaat ieders verbeelding te boven. Fab labs, open werkplaatsen, waarin iedereen terecht kan om met de nieuwste digitale machines aan de slag te gaan zijn in opkomst. De kennis om dit te doen wordt ondersteund via Engelstalige software en handleidingen. Het FabLab Amersfoort werkt overigens met apparatuur van Chinese makelij, veel goedkoper maar wel ondersteund door handleidingen en software in het Chinees.

Onze economie is voor meer dan 70% een kennis- en diensteneconomie. Een groot deel van de diensten wordt steeds meer digitaal geleverd. Ook digitale diensten kun je exporteren, maar daarbij spelen geografische afstanden al helemaal geen rol meer. De diensten die ontwikkeld worden zullen steeds minder de Nederlandse taal als basis hebben omdat Nederland als taalgebied te klein is om de vereiste schaalgrootte te realiseren. Ik vermoed dat ook het Duitse taalgebied te klein zal blijken te zijn.

De digitalisering van diensten is onder andere zichtbaar door het toenemend aantal mensen dat over een smartphone en tablet beschikt. Het OECD deed in januari de voorspelling dat in 2017 een huishouden met twee tieners gemiddeld over 25 ‘internet connected devices’ zal beschikken. Nu is dat gemiddelde tien, in 2022 verwacht het OECD een gemiddelde van vijftig.

Helaas kon ik de heer Mulder niet bereiken om direct antwoord te geven op de vragen die hij stelt in zijn artikel. Zijn emailadres kon ik niet achterhalen, ook niet via collega’s van Het Parool, en via social media als Linkedin was de de heer Mulder niet te vinden. Niet iedereen is even connected, zo blijkt maar weer. Graag had ik de heer Mulder persoonlijk gecontacteerd, hoor en wederhoor toegepast, en dit blog als ingezonden brief in Het Parool geplaatst gezien. Maar waarom al die moeite nemen? Direct plaatsen als blog en verspreiden via social media gaat zoveel sneller. Ik ga er bovendien vanuit dat ook dit keer de heer Mulder zich bij voorkeur laat informeren via een bericht in de social media.

  • Facebook
  • Twitter
  • LinkedIn
  • Hyves
  • Digg
  • del.icio.us